Welke radioactieve gebeurtenissen zijn er in BelgiŽ waargenomen?
In een vorige artikel schreef ik al dat de kunstmatige radioactiviteit een heel stuk lager ligt dan de natuurlijke radioactiviteit. Gelukkig maar.

Tijdens de koude oorlog (na 1945 tot de jaren 90) waren er ongeveer tweeduizend kernproeven: ongeveer zeshonderd atoombommen in de atmosfeer (tot 1980) en de rest ondergronds. De lijst is indrukwekkend... Het gaat hier dus niet om incidenten met kerncentrales, maar om regelrechte bommen.

Sommige van die atoombommen waren veel zwaarder dan verwacht. Dat zorgde grote gebieden waar radioactief materiaal neerkwam (de zgn. fallout) en soms voor grote evacuaties. Tienduizenden mensen werden blootgesteld aan zeer hoge straling. Voorbeelden van dergelijke apocalyptische situaties vind je hier en hier.


Hiernaast kan je voor de periode oktober 1957 (begin Ukkelse waarnemingen) tot en met december 1987 de maandelijkse kunstmatige radioactiviteit (beta-activiteit in luchtstof) volgen.


Na een atmosferische atoomproef duurt het soms weken tot maanden eer men in Ukkel verhoogde radioactiviteit meet. Dat komt omdat het radioactief stof de stratosfeer wordt ingeslingerd. Zo gaat het de aarde rond. Het duurt zeer lang eer de stofdeeltjes beginnen terug te vallen. In sommige gevallen heeft men zelfs verschillende passages van een radioactieve wolk gemeten die in de westcirculatie werd meegevoerd en verschillende rondjes rond de aarde maakte.

De Ukkelse metingen vertonen een zekere jaarlijke variatie. De hoogste kunstmatige radioactiviteit wordt gemeten in de lente. Dat is de periode waarin de stratosferische stofdeeltjes het makkelijkst terugvallen in de lagere luchtlagen. Ook in de stralingsmetingen van de opgevangen regen (de zgn. wash-out) vinden we die jaarlijkse variatie.


In de observaties van de kunstmatige radioactiviteit in BelgiŽ zijn vele atmosferische atoomproeven overduidelijk zichtbaar. Maar we kunnen in de cijfers ook op zoek gaan naar de grote ongevallen die zich voordeden met kernenergie.

Een eerste incident in september 1957 (Kyshtym, Oeral) werd lange tijd door de Russen stilgehouden. In de Cheliabinsk-plutoniumfabriek kwam hoogradioactief afval tot ontploffing. Maar omdat net toen ook een heleboel atmosferische kernproeven plaatsvonden, kunnen we het incident in de Ukkelse metingen niet of nauwelijks terugvinden.

Na een brand in de reactorkuip van de Britse plutoniumfabriek van Windscale (nu Sellafield - Groot-BrittanniŽ) op 9 oktober 1957 steeg de dagwaarde in Ukkel op 11 en 12 oktober 1957 tot 740 mBq/m3.

Op 28 maart 1979 ging het grondig mis met de kerncentrale van Three Mile Island in Harrisburg, Verenigde Staten. Gelukkig hield het betonnen omhulsel van de reactor stand. In de Ukkelse metingen vinden we van het incident niets terug.


Van Tsjernobyl weten we echter alles. De ontploffing van kerncentrale 4 van het nucleair park van Tsjernobyl in de nacht van 25/26 april 1986 zorgde begin mei 1986 voor erg hoge waarden van de radioactiviteit. In Mol noteerde men op 2 mei 1986 zelfs een dagwaarde van 17 Bq/m≥. Het maximum situeerde zich in Ukkel op 2 mei tussen 6 en 12 uur. De half uur-gemiddelden bedroegen toen meer dan 60 Bq/m≥.

In Dourbes arriveerde de radioactieve wolk enkele uren vroeger. Met mat er gedurende 9 uur een activiteit van meer dan 60 Bq/m≥. Uitgedrukt in dagwaarden kan men stellen dat op 2 en 3 mei de radioactiviteit ongeveer 20 maal hoger was dan tijdens en na de bovengrondse atoomexplosies van de jaren zestig. Het maandgemiddelde voor mei 1986 bedroeg 0,9 Bq/m≥, ongeveer vijfmaal meer dan de maandgemiddelden die werden opgemeten tussen november 1962 en juni 1963.

Na 3 mei 1986 ebden de hoogste concentraties snel weg. Gelukkig was het tijdens die dagen net prachtig (stralend?) weer. Nadien gingen de hemelse regenkranen open: een koufront dat regen bracht in het westen van ons land en buien met onweer in het oosten. De regendruppels wasten nog een deel radioactiviteit uit de lucht. Maar de opgevangen regenhoeveelheden bleken niet radioactiever dan de maximale waarden die men mat in de jaren zestig.


Algemeen kan gesteld worden dat voor BelgiŽ de gemeten Tsjernobyl-radioactiviteit de gezondheid van de bevolking niet heeft geschaad. Het incident moet immers gezien worden tegen de achtergrond van de natuurlijke radioactiviteit, die we dag na dag te verwerken krijgen.

Je kan het vergelijken met een spaarpot waarin men elke maand 3,2 euro stopt, zijn hele leven lang. Als de persoon (een Vlaming - de Walen krijgen meer) 70 jaar wordt, heeft hij 3,2 x 12 x 70 = 2688 euro gespaard op "natuurlijke" wijze.

Een "kunstmatige" spaarder van 70 jaar spaart maandelijks ongeveer 0,018 euro. In de jaren vijftig en zestig kreeg hij meer, afgerond ongeveer 0,05 euro per maand. In mei 1986 kreeg hij een onverwachte maandbonus van 0,9 euro. Een totaal in de orde van 15 euro. Meteen is duidelijk dat het aandeel van de atmosferische kernexplosies voor een Belg alvast groter is dan de kernongelukken, en dat de natuurlijke achtergrondstraling zonder twijfel de allesoverheersende faktor is die het meeste risico's met zich brengt.


De ramp van Tsjernobyl is ondertussen oud nieuws. We hebben veel geleerd, maar in maart 2011 ging het mis in het Japanse Fukushima. Onbegrijpelijk dat Fukushima niet beter bestand bleek tegen natuurgeweld.


Natuurlijk moeten we altijd waakzaam blijven. Na 1986 is het duidelijk dat de impact van een kernramp ongelooflijk groot kan zijn. Weten en informeren moeten dan ook de hoeksteen vormen van het toekomstige beleid.

Wil je zelf de radioactiviteit in je regio volgen? Dat kan. Telerad is een meetsysteem van 220 Belgische meetstations. Je kan het continu raadplegen via deze site.


Nog andere vragen?

Statistieken:
Online: 24
Vandaag: 1.395
Laatste week: 12.167
Pagina's: 24.909.712
sinds 15 aug 2010